Verlangen

Er was eens … een veel te korte lucifer.

Hij zat al, wat een eeuwigheid leek, opgesloten in een klein luciferdoosje, samen met.. Goh ja.. wie zat er allemaal in dat doosje. Hij kende de 3, 4 lucifers naast hem goed. Maar eigenlijk waren ze met véél. Té veel misschien zelfs .

Hij wist het hoor. Rationeel wist hij het. Je gaat niet eeuwig in dat doosje blijven zitten.

Vroeger waren er dagen dat het doosje open ging. Ze gleden zachtjes met zijn allen, voetjes vooruit, tot dat hun kopje kwam piepen, en hij een glimp opving van wat er ‘buiten’ gebeurde. Ze werden door elkaar geschud en eentje werd gekozen . Dan had hij de daaropvolgende dagen andere buren, werd er volop gespeculeerd. Iemand had iets gezien. Zo ging het, dacht hij dus. De spannende dagen. Hij leerde de nieuwe buren kennen, andere lucifers, ze leken misschien op elkaar maar elk hadden ze hun eigen verhaal. Als de commotie van het afscheid was gaan liggen, werd er vaak vergeleken. Waarom wist hij niet. Moest je ze niet kennen zou je denken dat ze er allemaal hetzelfde uitzagen. Maar ééntje was dus duidelijk korter. Hij wist het niet eens. Er is geen spiegel in dat doosje, en vermits zijn hoofdje op gelijke hoogte lag, had hij niet in de mot dat hij maar half zo kort was. Bovendien was hij zo leergierig, hij luisterde naar de anderen en leerde de wereld kennen door hun ogen. Hij stelde vragen en luisterde. Hij was eigenlijk niet zo bezig met zichzelf. En tegen vergelijken was hij ronduit tegen.

Op een dag werd het doosje wat brusker toegeduwd, en lag hij dus met zijn voeten gelijk.

Al gauw ging het mis, hij zag dat hij anders was. En hoe hard hij ook tegen zichzelf zei : Het heeft geen zin te vergelijken, we zijn wie we zijn. Schoonheid zit hem in onze eigenheid. Toch voelde hij zich tekort gedaan. Hij merkte hoe de lucifers gewoon doorgingen met praten over zichzelf. Ook als er niemand vragen stelde. Een paar keer probeerde hij aan bod te komen. Deze keer had hij het gevoel dat hij ook een verhaal had. De angst dat hij nooit zou gekozen worden. Toch luisterde niemand. Hij lag daar een beetje eenzaam te wezen. Hij probeerde luidop te dromen van vuur aansteken. Vastberaden dat hij was hier ‘samen uit te komen’, het pakte geen vuur. Uren, dagen, maanden gingen er voorbij. Het is geen wedstrijd dacht hij . Desnoods blijf ik tot allerlaatste in het doosje.

Zo lag hij daar. Te wachten, alleen met zijn gedachten.

Eenzaam was hij , eenzaam omringd door anderen die de godganse dag bezig waren met zichzelf. En hoewel de nieuwtjes verstomden, bleef hij zijn uiterste best doen. Schud dit doosje aub, bad hij soms stiekem. Ik hoef niet eens met mijn hoofd bij de rest liggen, als ik maar gewoon even andere buren heb. Ik ben ze beu dacht hij. En meteen vond hij zichzelf slecht en voelde zich nog wat slechter. Hij beelde zich in dat hij de laatste van het doosje was. Dat hij het doosje voor zich alleen had. Dat hij niet meer naar de anderen moest luisteren. Dat er stilte was, dat er ruimte was, voor hem alleen. Hij had verwacht dat dit beeld hem intens verdrietig zou maken. Dat hij zich zo alleen zou voelen zonder anderen, maar het beeld gaf hem kracht. Hij moest niemand. Hij moest niks.

En zo, tussen de kwebbelende stokjes, in een luciferdoosje dat maar niet meer open leek te gaan, droomde hij over verlangen.

Het sprookje dat ik nooit schreef

Schrijvers ambities heb ik eigenlijk nooit gehad.

Ik typ gewoon graag, het is nooit mijn bedoeling geweest om ‘iets’ te typen.

Met vertellen gaat het ook zo, ik vertel niet persé graag… in theorie.  In praktijk kan ik soms moeilijk stoppen met praten. (Vandaar dat ik met sommige mensen het 3 minuten telefoon gesprek in het leven geroepen heb. 🙂 )

Verzinnen dat doe ik ook kei graag. Wat als… stel u voor.. zo een constructies geven me goesting..

Vroeger toen de kids nog klein waren, las ik bedtijd verhaaltjes.  En de oudste die had graag dat het verhaaltje over hem ging.  Ik kan me weinig van die dingen herinneren .. er zat niet veel memorables in.  Behalve ééntje.  Dat van de paashaas. Telkens ik het vertelde werd het mooier en mooier.

Zo mooi dat er in mijn hoofd tekeningen bijkwamen. Zelfs merchandising. (chocolade hartjes !!!)

Ja, dat verhaal zou ik noteren.

Niet dus .

Het is vervaagd tot een blurry herinnering.

Daarom wil ik het hier terug nieuw leven inroepen.

Het verhaaltje vertrok van het idee.. “de paashaas.. een konijn dat eieren legt.. hoe kan dat ? en toen fantaseerden we dit samen bij elkaar.”

Dus er is een Kip. Er is een Haas/konijn/ whatever.  Hij, de Haas, is verliefd op Kip. Maar Kip vindt hem een vreemde snuiter.  Zij vindt zijn zachte pels heerlijk, en hij is betoverd door haar pluimen. Ze ontdekken elkaar en merken dat ze allebei even hoog geraken. Zij fladdert/hij springt.  Ze appreciëren het anders zijn in elkaar, en vullen elkaar aan.

Tot het gekakel begint.. “dat ze toch beter iemand van haar eigen soort zoekt”. De kip weigert koppig de verschillen te zien. Maar op een dag zaait er iemand een graantje,  Haas hoort. ‘Ja.. hij kan geen eieren leggen, wat ben je daarmee ?? ‘ Daarop trekt Haas zich terug en gaat zijn voedselpatroon aanpassen. Is hij wel goed genoeg ? Hij oefent de hele dag met keutels kakken, eet allerlei vieze dingen en keutelt nog wat verder. Je weet wel .. die kleine bruine bolletjes. Vurig hoopt hij dat er op een dag een ei gaat bij zijn.

Op een dag zit hij daar weer op zijn hurken .. kei hard zen best te doen een ei te produceren.. of op zijn minst de grootste keutel ooit, als de Kip onverwacht om de hoek van het kippenhok passeert. hij schrikt, nijpt zijn poepeholleke bijeen en floep. een Bruin hartje was geboren.

Zij is zo vertederd dat ze dezelfde dag nog trouwen… en er komen kleine haasjes van.

Die  op hun beurt .. paaseitjes leggen !

Kom .. dat was de samenvatting hé.. Kan daar iemand nu terug een verhaal mee construeren aub ?

Of een ander ontstaan van de paashaas bedenken ?

Rafelkath misschien ?

of Sara ? was die niet op zoek naar een plausibele verklaring ?

Misschien meneer Pannekoek ?

 

 

Waarom ik schrijf

Ik schrijf omdat ik wil schrijven dat ik gelukkig ben.

Op een dag zal het zover zijn en zal ik schrijven –
met mijn tong tussen het puntje van mijn tanden, en met rode oren en rode wangen:
ik ben gelukkig.

Als ik daaraan ooit nog twijfel
en meen dat ik verdrietig ben of de wanhoop nabij of zelfs reddeloos verloren, dan kan ik altijd opzoeken wat ik werkelijk ben:

gelukkig.

Toon Tellegen

Spartelen

Vanboven op een bruggetje sta ik naar beneden te kijken.

Onder mij zwemt een prachtige
maar kleine vis.

Hij is er terug.
Vorig jaar zette ik hem uit en zwaaide trots  ..

Nu zit hij op een dood spoor.
Een zijtakje van de beek die nergens naar leidt.
Zijn vinnen zijn beschadigd zie ik.

Ik vraag me af .. zullen ze herstellen ?
Of zal hij voor altijd een beetje kapot zijn?

Had ik hem beter moeten trainen ?
Ik heb hem geen kunstjes geleerd,
vond hem prachtig net zoals hij was,
ik geloofde in zijn eigen kracht.

Oooh,
wat zou ik hem zo graag vangen.
Hem even in mijn handen houden,
of zelfs terug bij mij thuis, op de kast zetten.
Veilig. In mijn zicht.

Dat kan natuurlijk niet.
Zijn kom is onvermijdelijk te klein geworden,
En mijn armen tekort.

Dus kijk ik.

Er is amper water..
Met al de energie die hij nog in zich heeft, spartelt hij.
Zoals alleen vissen op het droge dat doen.

Komaan .. Roep ik..
Zoek een goei plekje en spring opnieuw .
Laat u even meedrijven met de stroom,
Hier, of hier, is een paadje naar kalmere wateren.

Hij hoort me niet,
dapper gaat hij door.

Elvira

Toen Elvira geboren werd, zagen haar ouders het meteen. Ze had een prachtig donker rood hart. Het zag er kwetsbaar uit. Dus bedekten ze het met de dikste kledij. Elvira groeide op en wist niet beter dat iedereen over zo’n hart beschikte. Trots toonde ze het aan de andere kleuters. Vol nieuwsgierigheid prikten ze er in. Het deed pijn. Ze opende het deurtje in haar borstkas en stak het vlug terug weg. Nieuwsgierig vroeg ze of ze de anderen hun hart mocht zien. Hoe ze ook aandrong, ze kreeg niemands hart te zien.

prinses

Thuisgekomen vertelde haar mama dat het een geheim was, en dapper hield ze het jarenlang verborgen. Ze ontmoette Kristina, een meisje even opgewekt en vrolijk als haarzelf. Het klikte meteen. Ze werden beste vriendinnen. Elk vrij moment zaten de meisjes bij elkaar in de buurt. Zoals het altijd gaat met meisjes, groeiden ze naar elkaar toe en op een dag toonde Elvira haar geheim. Ademloos keek Kristina toe, opende ook haar eigen deurtje en toonde haar hart, het was niet mooier, het was niet lelijker, het was anders en even prachtig..

Vanaf die dag ruilden ze van hart, ze zorgden heel goed voor elkaar, nog beter dan ze voor zichzelf zorgden. Een eindeloze jeugd later, brak de dag aan dat Kristina moest verhuizen. De twee donkere bloeddoorlopen harten, werden een laatste keer opgeblonken en terug geruild.

Het deed pijn .. verschrikkelijk pijn. Elvira haar hart ging trager kloppen en verloor zijn glans. Hoe hard ze ’s avonds voor het slapengaan ook wreef en poetste .. het leek wel alsof het definitief beschadigd was.

Zó verloor ze de moed en besloot ze het sleuteltje op te bergen. Samen met haar hart borg ze haar onschuld weg, haar oprechtheid en haar eeuwige enthousiasme, een onuitputtelijke bron van liefde.

Het ging goed,

dat probeerde ze zichzelf toch wijs te maken… jaren gingen ongemerkt voorbij ..tot ze op een dag het sleuteltje terugvond onder een dikke laag stof.

Nieuwsgierig als ze was deed ze voorzichtig haar deurtje open.. en daar was het.

Het straalde .. het blonk .. vol trots stond Elvira er weer ! Nu zou ze het allemaal anders doen ! Ze ging naar een kleermaker, liet een jurk maken waarin een opening zat, zodat iedereen haar prachtige hart kon bewonderen terwijl het klopte.

De reacties waren positief, meer mensen stelden hun hart open. Weldra overspoelde het land in een vloedgolf van mededogen en naastenliefde.

Alleen het glazen deurtje..  dat bleef nog even dicht.

Elvira zag overal Liefde, ze was omringd met positieve mensen en intens gelukkig, maar toen er een Prins uit een ver koninkrijk langs kwam, waagde ze toch haar kans.

Die warme zwoele avond, trok ze een wit lang kleed aan, deed haar mooiste oorbellen in en kamde haar lange haar. Het werd een fijne avond .. en in de late uurtjes voelde ze zich zo op haar gemak dat ze maar meteen haar Grote troef toonde.

 

De Prins begreep het niet, waarom liep ze hier zo mee te koop, ‘wacht nog even meisje’ antwoordde hij. Maar Elvira kon het niet laten, ‘dit ben ik’ antwoordde ze, ze opende het deurtje, haalde haar hart eruit en legde het op tafel.

De Prins keek naar de kloppende bloederige handel en wist niet wat hij ermee aanvangen moest.

Stoofpotje

’t Was een droge zomer geweest.
De patatten hadden het goed gedaan.
De mais daarentegen was een ramp.
Hij boerde nu al enkele seizoenen biologisch, en t ging wel.. met schoffel en hark ging hij dagelijks het veld af.
Alles wat er niet thuis hoorde, trok hij meteen uit.

In september was het begonnen.
Dit onkruid kende hij niet.
Het schoot gewoon overal uit. Hardnekkigheid troef. Trok hij er eentje uit, kwamen er 10 in de plaats.
2018-10-14 14-30127181..jpg

Toen kreeg hij een ingeving.
Hij hakte, hij kruidde, hij braiseerde en stoofde.

Het werd een stoofpotje van Beloftes.

Enkele uren later was ’t al prijs.
Gekluisterd zat hij op de pot.

– eerder verschenen op instagram

King and Queen

Hij had er genoeg van.
Er viel nooit eens wat te beleven.
Zij was er wel graag eigenlijk..
de rust, de stilte, de voorspelbaarheid van de dingen.
Ze hadden dit gesprek al zo vaak gevoerd.
‘Ik wil eens iets anders’ zei hij dan.
‘Live on the wild site’ en ‘het leven begint net buiten je comfortzone’ sprak hij dan in pinterest quotes.

Maar deze keer niet, hij stond gewoon op en vertrok.
Even bleef ze verbrouwereerd achter.

Maar al vlug tilde ze haar rokken op en ging hem achterna.

Zelfs de dood had hen niet kunnen scheiden.

dit bericht verscheen eerder al op mijn instagram account, lekker snel geschreven op de trein, ik moet een keertje nadenken over wat ik hier op de blog neerzet en wat daar … hopelijk stoort het dubbel posten niet 😉 –

Ik zag.. een eenzaam wolkje

Ik zag een eenzaam wolkje*

Een klein vlokje wit aan een stralend donkerblauwe hemel.

Er kwam een piepklein wit vliegtuigje aan.. dat vloog pardoes in dat kleine wolkje.

Hoe kon dat zijn, vroeg ik me af.. moet dat nu net IN dat ene kleine wolkje vliegen ? Het vliegtuigje was helemaal weg. Totaal onzichtbaar.

Enkele seconden vroeg ik me af.. heb ik dat nu echt gezien? Zou er straks een vliegtuig vermist zijn? Zouden de mensen in het vliegtuig naar buiten kijken nu? Zouden ze wolken zien? Of mist? Zou het binnen donkerder worden? Zou het vliegtuigje achter of boven het wolkje gaan .. was het gezichtsbedrog?

Nog enkele tellen wachtte ik geduldig af.. en floeps.. daar was het weer.. het kwam er aan de andere kant gewoon weer uit.

Ik zag’ is een rubriek waarin ik kleine gelukjes neerschrijf die ik onderweg spotte.. vaak zonder foto, maar wel met een glimlach. Wie doet er mee ?

*’Een wolk mama is een verzameling van watermoleculen. Wolken kunnen geen gevoelens hebben. En als dat al zou zijn, zouden ze net NIET eenzaam zijn, want het is een verzameling… alle moleculen zijn samen.’ (Misschien is ’t zelfs een feestje?)

Toon

Dit is Toon.  Toon heeft een prachtig huis.

visser_hoog

Elke avond zet hij zich op zijn ponton, en kijkt naar het water. Ik ben gelukkig denkt hij ..
Tot vorige maand. Een prachtige vis zwom voorbij. De vis keek op en zei: “Wat zit je daar zo alleen te zitten? Haal je hengel en vang mij.” ‘Ohja’ dacht Toon, ‘wat een goed idee.’ Hij liep naar de zolder, zijn materiaal was bestoft, maar nog piekfijn. Gehaast liep hij naar beneden en voor hij het besefte had hij al beet. ‘Hehe’ dacht Toon, ‘dat heb ik goed gedaan.’
De vis was blij.. eindelijk iemand die zen schubben bewonderde.  Maar hij kon niet blijven, dus gooide Toon hem terug.  Voortaan zat Toon elke avond met zijn vismateriaal op het pontonnetje. Hij genoot van het wachten, het hengelen en elke keer de roes van het beet hebben.
Soms duurde het langer. En dan riep hij.
Vis kwam aangezwommen. Beet gewillig, en liet zich binnen halen.
Moeilijk te zeggen wie er het meeste genoot.
Toon prijsde de vis om zijn mooie ogen, Vis complimenteerde Toon met zijn vistalent.
 
Vol verwachting zat Toon daar, hij wist dat het erbij hoorde, het eindeloze wachten.
Nog meer dan naar de komst van Vis, keek hij uit naar het compliment.
 
Het was spannend, keer op keer.
Komt hij? Komt hij niet ? Hij strooide voer, kocht het lekkerste eten en toch vertoonde Vis zich minder en minder.
 
Toon ging eraan kapot.
Tot hij op een dag zijn hengel opborg en riep:
‘Vis, ik zit hier.. als je wil kom je maar. Alleen het hengelen, het hengelen dat gaat niet meer.’
Voortaan zwom Vis elke avond langs, zonder afspraak vonden ze elkaar, soms voor vijf minuutjes, soms praatten ze urenlang.  Zonder complimentjes, zonder gedoe, gewoon even samen zijn.